Mijn verhalen

Elsevier Senioren Nieuwsbrief april 2017

Boezems

Het fibrilleren van de boezems van het hart is voor de cardioloog een dagelijkse boterham met kaas. Boezemfibrilleren komt bij heel veel 60-plussers voor. De vier patiënten in mijn ziekenhuiskamer worden er voor onderzocht en hopelijk behandeld. Als de natuurlijke elektrische prikkels in het hart in de war raken dan krijgen de kamers minder bloed. Ze gaan vreselijk hun best doen, slaan op hol. Je voelt hartkloppingen, druk of pijn op de borst. ‘Het hart gaat een marathon lopen’, verklaart de hartspecialist. De hartslag (normaal 50-80 slagen per minuut) kan snel oplopen naar 150. Een kritieke waarde. De hersenen reageren als eerste op het zuurstoftekort: duizeligheid, misselijkheid, flauwte, hoofdpijn. Mijn hoofdklacht was kortademig en direct oververmoeid bij inspanning.

Opeens is er een hardloopwedstrijd met de dood. Drie kamers verderop heerst paniek. Het reanimatieteam reageert onmiddellijk op het gillende alarm van de monitor. Rappe voeten brengen rollende apparatuur. Rake schokken herstellen het hartritme en de rust keert weer. De baliemedewerkster belt de familie. Er is geen betere plek om een hartaanval te krijgen dan in een ziekenhuis.

De patiënt weet vaak niet wat er aan de hand is en wuift bezorgdheid van de omgeving weg met schijnverklaringen: slecht geslapen, verkouden, griep, hard gewerkt, stress. En hoopt op verbetering: ‘Ik ga even liggen en dan gaat het wel weer.’ Dat kan ook het geval zijn, want een onregelmatige hartslag wil zeggen dat het afwisselend beter en slechter gaat. Het ene moment kon ik het niet opbrengen om koffie te zetten en het andere heb ik een notenboom geplant. De andere patiënten hadden net zulke ervaringen en onze unanieme conclusie was: Kleine klachten kunnen een signaal zijn van grote klachten. Al heb je kriebel aan je neus, ga naar de dokter. Iedereen is blij als het niks ernstigs is, maar iedereen is boos en teleurgesteld als er geen aandacht wordt besteed en gevraagd voor iets serieus.

Ik lag een hele nacht de longen uit mijn lijf te hoesten. Dat hoorde bij een fikse verkoudheid. Die begon met een loopneus, dan droge hoest, overgaand in taai slijm, dreigende oorpijn en ’s nachts opeens een rauwe keel. Mijn dochter had keelpastilles, maar belde toch de huisartsenpost. Die vond het verstandig mij door een ambulance te laten ophalen. De ambulancebroeder hoorde wat vocht in de linkerlong en stelde een onregelmatige hartslag vast. Mee!

Ik leerde in enkele uren tijd heel veel over de werking van het hart. Als ik achteraf de signalen op een rijtje zet had ik het veel eerder kunnen weten. Ja, ik had pijn in mijn linkerarm (mijn vrouw zag me wrijven en gaf mij een tube spierbalsem). Ja, ik had pijn op de borst (ik dacht dat het kwam van een verkeerde beweging bij het ophangen van de was). Ja, ik voelde me lichtelijk opgejaagd en keek (volgens mijn vrouw) wild om mij heen toen ik koffie moest zetten maar het niet voor elkaar kreeg. Ja, ik was na drie stappen van de trap kortademig. De andere slachtoffers in de ziekenhuiskamer hadden al vele chronische aandoeningen, hadden geleerd over hun klachten te communiceren, en toch maakten ook zij de fout de verschijnselen van boezemfibrilleren weg te wuiven. Daarom deel ik in deze column de wijsheid: ga ook met ogenschijnlijk kleine klachten naar de dokter. Het is nooit voor niets. In de meeste gevallen ga je opgelucht of met een pilletje, drankje of zalfje naar huis en is het wel iets, dan zijn beide kanten even blij omdat je er tijdig bij was.

De assistente zegt: ‘Dokter heeft ook een telefonisch spreekuur!’

 

FES Magazine 162 december 2015

De kapotte kerst

Een kerstverhaal van Peter Fiedeldij Dop

Dochter Floor komt door de lichte stuifsneeuw op de fiets, de kleine Sjonnie in het zitje achterop. Het is koffietijd. ‘Sjonnie, geef oma eens een knuffel.’ Het manneke was al verdwenen naar de speelgoedkist. ‘Haal de kist maar even, dan kan hij hier zitten spelen,’ zegt de grijsblonde vrouw. Floor weet hoe haar moeder van haar twee kleinkinderen geniet.

Willem heeft een dochter van tien. Hij heeft een wilde spar uit het bos gehaald. ‘Mooie boom, Willem. Hij mag een stukje naar voren, daar in die hoek staat hij zo opgesloten,’ geeft oma haar oordeel en aanwijzing.

Floor heeft alvast de doos met kerstversiering van zolder gehaald. De glazen piek is heel gebleven. Ze reikt hem Willem aan. Even later zitten ze gedrieën aan de koffie met speculaas die overgebleven was van sinterklaas.

‘Toch jammer dat u niet meer zelf bakt, moe.’

‘De tijden veranderen, kind, ik kan het niet meer opbrengen.’

‘U gaat toch wel het traditionele kerstdiner klaarmaken?’ Floor kijkt er een beetje beduusd bij.

‘Ik zou het graag doen, meisje. Je wilt niet weten hoeveel verdriet ik er om heb. Maar je mag het echt niet van me vragen.’ De niet eens zo oude vrouw lijkt opeens te krimpen. Floor voelt tranen in haar ogen opwellen. Ze wist het natuurlijk wel zoveel pijn haar moeder altijd heeft. En hoe moe zij al jaren is. Ze legt haar armen om haar moeder heen en zo huilen ze samen in stilte.

Willem heeft het niet in de gaten. Hij heeft twee snoeren lampjes om de boom heen gedraaid en aan de takken vastgemaakt. ‘Kijk, moe, ze doen het nog!’

De oudere vrouw recht haar rug en reageert zoals van haar verwacht wordt: ‘Prachtig, jongen.’

Floor kijkt haar broer ernstig aan: ‘Moe gaat geen kerstdiner bereiden.’

Willem kan het niet geloven. ‘Dat kan toch niet, moe? Kerst is het belangrijkste familiefeest van het jaar. Dan vertellen we elkaar wat ons het hele jaar heeft bezig gehouden. Dan vergeven we elkaar. Dan maken we vrede op aarde op de vierkante meter. En u bent de bron van liefde en warmte. Dat kunt u toch niet zomaar laten varen?’

Floor fluistert bijna een geheime formule als ze de details van het kerstdiner opsomt: de garnalencocktail met kleine slablaadjes en whiskysaus (Floor is daar gek op). Eigengemaakte Italiaanse minestrone groentesoep met zelf gebakken soepstengels (de keuze van Willem). Patatjes, minikroketjes en appelmoes voor de kleintjes. De befaamde beenham, in dunne plakken op een grote schotel met rondom aardappelpuree en verschillende groenten, ratatouille, sperziebonen, doppertjes en worteltjes en een schaal gemengde sla. Toen pa nog leefde snipperde hij daar gepofte kastanjes door.’

Haar broer is op een keukenstoel naast hun moeder gaan zitten. Hij houdt haar hand vast en samen zien zij in gedachten de deftig opgemaakte tafel voor zich. Als Floor is uitgesproken pakt hij ook de andere hand en kijkt de oude vrouw met zelfverzekerde blik in de droeve ogen. ‘Dan doen wij het toch?!’ Floor knikt instemmend. ‘Zeker weten.’ En Willem: ‘Ik heb vaak genoeg gezien hoe pa het vlees deed, dat komt helemaal goed.’

Tien dagen later is het de avond voor kerst. Willem heeft de homp vlees aangebraden en in de oven gezet. Hij snijdt en wast de krop sla. Zijn vrouw arriveert met Esther op haar nieuwe schoolfiets. Willemien wil de tafel dekken. ‘In de inloopkast in de slaapkamer staat een krat met tafelkleden,’ zegt schoonmama. Willemien komt met een geborduurd tafelkleed aanzetten. ‘Heeft u dat allemaal zelf geborduurd?’ ‘Nee, dat heeft mijn moeder gedaan toen ze negentig was.’ ‘Ongelooflijk! Al die hulstblaadjes en kleine besjes. Wat zal dat mooi staan.’ De oude vrouw zucht diep. Haar schoondochter heeft het witte kleed gepakt. Dat is voor de koffietafel. ‘Er is ook een rood kleed,’ probeert zij de keuze van Willemien te beïnvloeden. Maar Willemien heeft het bloemstuk al van tafel gehaald en het witte kleed uitgevouwen.

Dan start een zoektocht naar de twee dozen met kerstservies. Willem gaat naar zolder, maar hij komt met lege handen terug. Zo komt het dagelijkse boerenbont op tafel. Oma, die dit allemaal zag gebeuren, weifelt of ze nog wel aan tafel wil gaan zitten. Haar gezicht staat op onweer als Floor met Esther de cocktails op tafel zet. Floor begrijpt dat niet. ‘Wat is er, moe? U kijkt een beetje bozig. Is er iets niet goed?’

De oude vrouw aarzelt. Ze beseft heel goed dat als zij nu haar ongenoegen zou uiten ze het kerstdiner voor iedereen verpest. Maar Floor houdt aan: ‘Als er iets is kunt u het beter nu zeggen.’

Haar moeder knijpt in haar gebalde handen. Zacht zegt ze: ‘De kerst is kapot, kind. De kerst is kapot. Altijd, alle jaren, heb ik het voor jullie en voor pa gedaan, en nu is het kapot.’ ‘Wij doen toch ons best, ma?’ brengt Floor in het midden. ‘Daar gaat het niet om, ik doe het niet meer, mijn rol is uitgespeeld. En alles gaat anders.’

‘Wat dan, ma?’

‘Dat rode kleed. Willemien deed het witte kleed.’

‘Okay, dat begrijp ik,’ zegt Floor.

‘En het kerstservies. Ze zetten het maar ergens neer en dan kan niemand het meer vinden. Ik kan niks meer zelf doen. Zo gaat je leven stap voor stap kapot.’ Haar hoofd is voorover gezakt en ze lijkt niet meer op deze wereld te willen zijn. ‘Het is niet eerlijk dat pa er niet meer is.’ Willem, Willemien en Esther, Floor, Rob en Sjonnie komen gezamenlijk om de oude vrouw heen staan. Zes paar handen raken haar geruststellend aan en uit hun monden komen de woorden ‘wij houden van u’. ‘Ik ook, omie,’ zegt Sjonnie.

Willem vraagt: ‘Wilt u bij ons aan tafel komen zitten? Zonder u erbij is het geen kerstavond.’ En Floor zegt: ‘Zonder u is ons kerstdiner ook kapot, ma. Dat wilt u toch niet?’

Het eten was heerlijk en dat zal het volgende kerst ook weer zijn. De niet eens zo oude vrouw voelde zich jaren jonger en de vele jaren die volgen zullen niet alleen haar kinderen maar ook haar kleinkinderen met kerstavond de boom optuigen en het eten verzorgen. Op hun manier, niet zoals oma dat, volgens de verhalen, altijd deed. En zo is het goed. Vrede rond de boom.

 

Elseviers Senioren Nieuwsbrief december 2016

Sinterklaasavond ‘44

Ons huis zat vol met vader, moeder, drie kinderen, tante, dienstmeisje en vijf onderduikers. Wat lekkers bakken voor ‘Pakjesavond’ was voor mijn moeder een enorme uitdaging, want alle etenswaren waren op de bon en de onderduikers hadden geen bonnen. De taart werd een oudbroodtaart, met een handje krenten, een in kleine brokjes gesneden appel, een lepel suiker en een mespunt kaneel. Ik wist dat mijn moeder voor haar eigen kinderen en voor het dienstmeisje iets gebreid had. Als oudste kind wilde ik ook voor de onderduikers een cadeautje maken. We hadden Origami, dus vouwde ik voor alle grote mensen bloemen.

Voor het Alladin noodkacheltje sprokkelde ik geregeld takken in het park en hakte houtblokken klein. Ook sneuvelde er af en toe, als het buiten geen weer was, een kastplank. Om speelgoed van te maken zaagde ik een plank van beukenhout in de lengte in latten en van die latten blokjes van verschillende lengten. Met Ecoline (inkt) gaf ik gelijke maat blokjes een zelfde kleur. De twee jongste onderduikers kregen allebei een zakje blokken zodat ze samen konden spelen.

Voor de oudste zoon had ik een heel speciaal project: een speelgoedkano. Met een zakmes probeerde ik zo goed mogelijk de vorm van een indiaanse kano, zoals beschreven in het boek ‘Winnetou’, uit een stukje hout zonder knoesten te halen. De eerste kano vond ik mislukt, de tweede was goed genoeg. Toen moesten er nog minstens vier paddels bij, en ook dat ging naar mijn zin. Om het uitpakken spannender te maken verpakte ik alle onderdelen apart in krantenpapier en maakte er een cryptisch gedicht bij om hem te laten raden wat het zou kunnen zijn.

Op Sinterklaasavond heb ik voor mijn moeder de openhaard aangemaakt. Iedereen wordt geroepen dat het feest begint. Mijn moeder weet dat de papieren bal als laatste moet worden uitgepakt.

De grote mensen bewonderden de van gekleurd papier gevouwen bloemen en ik groeide in stilte van trots, maar het hoogtepunt van ‘Pakjesavond’ moest nog komen.

Voordat de kinderen aan de beurt kwamen moest er eerst gezongen worden. En kregen we waterchocola te drinken. Mijn moeder bracht de kroezen weer naar de keuken en bleef een paar minuten weg. Naar de wc dachten wij. De kinderen wachtten in spanning tot zij terug zou zijn.

Plotsklaps werd er hard op de kamerdeur gebonkt, de deur werd op een kiertje geopend en er kwam een zwarte hand naar binnen die pepernoten rondstrooide. Wij kinderen doken erop als mussen op kruimels brood. Later vertrouwde mijn moeder mij toe dat oma de pepernoten had gebakken. Het was niet veel, maar wel een grote verrassing.

Eindelijk mocht de kleinste beginnen met haar pakje openmaken. Ze keek in het rond wat iedereen van de blokjes vond. Haar broertje knikte begrijpend dat hij samen met zijn zusje met blokken moest spelen van de Sint – of van Zwarte Piet, want het was een zwarte handschoen geweest die de pepernoten strooide…

De oudste zoon keek mijn moeder aan voor toestemming om het laatste pakje bij de openhaard weg te halen. Bedachtzaam scheurde hij laag voor laag de krantenrepen van de bal van proppen papier en gooide elk stukje in het vuur om geen rommel te maken. Wat was nou het cadeautje, zo vroeg hij zich af. Sommige propjes papier bevatten een soort houtsplinter, maar die gooide hij ook in het open vuur. Uiteindelijk vond hij nog een iets groter stukje hout. “Is dit het?” vroeg hij verwonderd. Ik bedwong mijn tranen en zei niets. Het mag immers niet bekend worden wie de cadeautjes heeft gemaakt. Mijn moeder riep mij naar de keuken, zei dat ik best had mogen ingrijpen en liet mij de taart in twaalf stukken verdelen.

 

 

Elseviers Nieuwsbrief september 2016

Kussen krijgen 

Altijd heerlijk om kussen te krijgen en knuffels te ontvangen. Beslist een goede reden om alles in het werk te stellen verjaardagen bij te wonen van familie en vrienden. Een goed kussen krijgen, van de zorgverzekeraar!, dat kan een heel wat minder feestelijk gebeuren zijn. Zeg maar: een drama.

Ik put uit twee praktijkgevallen. Twee dames, Bep en Ans, ruim voorzien van zitvlees en zo’n 15-20 jaar in het gelukkige bezit van een los kussen dat zij overal mee naar toe nemen.

Op zekere dag gaat zitten en opstaan pijn doen. Sofie en Jetske, de dochters van beide dames, leren elkaar bij toeval kennen in de wachtkamer van de huisarts.

‘Mijn moeder krijgt last van doorzitten’.

De huisarts adviseert hen contact op te nemen met de wijkverpleegkundige. Die komt bij beide dames op bezoek, maakt een dossier aan, en vraagt het achterwerk te mogen inspecteren. Ze adviseert insmeren met beschermende zalf, en regelmatig veranderen van houding, alsmede zoveel mogelijk blijven lopen.

‘En u mag ook wel eens een nieuw kussen hebben.’

Jetske: ‘Hoe komt mijn moeder aan een nieuw kussen?’

‘Daarvoor zal ik mijn collega wondverpleegkundige om advies vragen.’

‘Wondverpleegkundige?’

‘Ja, die heeft veel ervaring met preventie van decubitus.’

‘Decubitus?’

‘Ja, doorligwonden.’

De wondverpleegkundige komt, vraagt wat de wijkverpleegster heeft gezegd, leest de summiere aantekeningen in het dossier en zegt dat er beschermende zalf op moet worden gesmeerd (wat dus al geprobeerd is). Als de huid kapot gaat komt zij terug. Mocht er een acute bloeding optreden dan moet er gaasverband op worden gedaan. De kussens van beide dames worden door haar afgekeurd: verouderd. Er zijn tegenwoordig veel betere kussens, maar die moeten worden aangevraagd door een ergotherapeut.

De dochters gaan zoeken op het internet. Er blijken drie soorten kussenvulling te zijn die hen aanspreken. 1. Schuim met geheugen. 2. Kleine luchtballonnetjes, eieren genoemd. 3. Een landschap van rubberen piramides.

De dochters doen navraag hoe deze kussens te proberen zijn. Dat is niet eenvoudig, zeg maar onmogelijk. Daarvoor, zegt het protocol van de zorgverzekeraar, is een ergotherapeut nodig. Die meet, weegt en bepaalt. Zelf kiezen is er niet bij. Een ontsnapping aan deze potsierlijke praktijk is een kussen lenen van je kruisvereniging. Voor leden gratis. De dames met het eerder genoemde zitvlees nemen er aarzelend op plaats en vinden het maar niks. Te hard.

Dan belt de ergotherapeut van dienst. Ze komt, ziet en overwint elke twijfel. Denkt ze. Tegen Bep, die chronische pijnen heeft en een verkromde rug, zegt ze dat ze rechtop in haar stoel moet zitten en op een plat bed moet gaan liggen. Sofie heeft een klacht ingediend en de ergotherapeut is niet meer ingezet door het wijkverplegingteam.

Maar nog altijd geen kussen!

De twee dochters – die geregeld met elkaar contact hebben – gaan rondvragen op Facebook. Binnen een dag krijgen zij de tip een bedrijf te zoeken waar ze kussens maken. Binnen het uur hebben zij verschillende zitkussens en rugkussens laten maken voor alles bij elkaar 80 euro.

Op de afrekening van de zorgverzekering staat dat alleen al de ergotherapeut 256 euro heeft gedeclareerd. Tel daar de huisarts (met 13,50 veruit de goedkoopste!), de wijkverpleegster en de wondverpleegkundige bij op en het wordt helemaal duidelijk waarom de gezondheidszorg alsmaar meer gaat kosten.

Mijn commentaar: ‘Door de trek naar de stad gaat het boerenverstand helaas verloren.

 

Elseviers Nieuwsbrief juni 2016

Bambini

Ik zit naar het gezang van een vogel te luisteren. Op een bank. In een park. In een stad. In Italië.

‘Buon giorno signore.’ Een rauwe, door het roken van zelf gerolde sigaretten verteerde stem, getaand gezicht en handen, een versleten maar modieuze jas, en kleurloze basketballpet. Zo te zien een alleenstaande man, geen vrouwenhand die ingrijpt in zijn bestaan.

‘Posso sedermi?’ rochelt hij. Hij steekt zijn hand uit. ‘Alessandro.’ Italianen schudden heel graag handen. ‘Piet,’ zeg ik, want dat is mijn naam.

Alessandro haalt een papieren zak uit de linkerzak van zijn jas. Net als ik heeft hij restbrood meegenomen voor de vogels.

Er komen steeds meer duiven naar het broodmomentje. Alessandro leunt achterover tegen de bank en vist met zijn rechterhand een halfvolle fles witte chianti uit zijn andere jaszak. Hij trekt de kurk uit de fles en biedt hem mij aan: ‘Vuoi un sorso di vino?’ Vino versta ik. Ik knik enthousiast en neem de fles aan. De wijn is nog tamelijk koel en de smaak verfrissend. Grazie.’

Aan de overkant van het pleintje verschijnt nóg een oudere man. Keurig gekleed met een opvallend geel vest. De opgewekte levensgenieter steekt joviaal een hand uit naar Alessandro en zegt ‘Hai compagnia che vedo’. Compagnia versta ik, dat is gezelschap. Hij buigt beleefd naar mij, geeft een kleffe hand en noemt zijn naam ‘Roberto’. Ik zeg weer ‘Piet’, want dat is mijn naam.

Nadat Roberto een slok wijn van Alessandro heeft genoten wijst hij naar een vrouw met twee lege boodschappentassen en twee kinderen die op hem af komen. Alessandro vertelt hoe de kinderen heten: ‘Bambine e dei bambini, Chiarina e Fiorenzo. È un gemello.’ ‘Ah,’ begrijp ik: een tweeling.

Allessandro meent dat het slimme kinderen zijn: ‘Bambini intelligenti.’ En Roberto zegt trots dat Fiorenzo – net als zijn vader – ingenieur (ingegnere) zal worden en Chiarina – net als haar moeder – onderwijzeres (insegnante).

De vrouw had haar schoonvader vluchtig gekust en de kinderen haar voorbeeld doen volgen.

Ik heb bij de McDonald, waar ik gisteren met mijn eigen kinderen wat heb gegeten, twee speelgoed rinocerossen gekregen. Ik was ze eigenlijk vergeten maar nu denk ik eraan en diep ze uit mijn tas op. Ik laat ze aan de moeder zien en vraag ‘bambini?’ De vrouw glimlacht en knikt. ‘Grazie, signore, molto gentile da parte tua.’ Ze vindt het goed.

De kinderen geven keurig een hand en maken een beleefd knikje. ‘Grazie, signore.’

Ze maken de plastic verpakking meteen kapot en gaan op de grond zitten spelen. Hun moeder gaat boodschappen doen. De kinderen blijven zolang bij hun opa. Ik vond het ook een mooi moment om op te stappen, maar als de twee opa’s de kinderen op schoot nemen en kinderliedjes met ze gaan zingen moet ik wel blijven. Zoiets maak je niet zo vaak mee. Eerst luisterde ik naar het gezang van een vogel en nu luister ik naar Italiaanse kinderliedjes, gezongen door twee brommende opa’s en de hoge stemmen van hun kleinkinderen.

Na een poosje stapt Chiarina op mij af met de vraag of ik ook wat wil zingen. Ze kruipt op mijn schoot en laat zich gierend van de lach op en neer hupsen bij ons populaire kinderlied ‘Hop-hop paardje, jij moet naar de stal…’ Uiteindelijk stap ik toch op. ‘Ci vediamo domani!’ klinkt het meerstemmig, maar of ik morgen terugkom kan ik niet beloven. Het bezoek aan mijn kinderen was voorbij. En ook aan deze bambini.

 

Elsevier Nieuwsbrief april 2016

Doe het Zelf Geluk

Gelukkig is ons pensioen gered! Gelukkig zat ik niet in de treinramp van Harmelen in 1962 (weet u het nog?). Of de treinkaping bij Wijster (1975). Of vlucht MH17 (2014). Gelukkig mag ik gelukkig zijn. Maar sommige mensen zeggen dat het wel steeds moeilijker wordt als je ouder wordt. Het NRC-Handelsblad van 22 juni 2006 kopte al ‘Ouderen zijn het gelukkigst’. We worden gelukkiger naarmate we ouder worden, maar dat hebben we niet altijd in de gaten. Wij ouderen kunnen ons slecht herinneren hoe ongelukkig we waren in onze jonge jaren en jonge mensen kunnen zich slecht voorstellen dat ze gelukkig zullen zijn op hoge leeftijd. Dat heeft te maken met negatieve stereotiepe ideeën over ouderen in de samenleving, bijvoorbeeld de gedachte dat ouderen lichamelijk achteruitgaan en ziek worden en dat dat altijd en definitief ongelukkig maakt. In werkelijkheid krijgen mensen juist meer emotionele weerstand als ze ouder worden, en wennen ze aan allerlei vormen van tegenslag.

 

De sleutel naar geluk

De Belg Leo Bormans, ex-onderwijzer, thans ‘ambassadeur van het geluk en kwaliteit van leven’, verspreidt geluk en vindt geluk zelfs onder de armen, verstotenen, gedupeerden, zieken en gehandicapten. En ouderen. Bormans heeft de hele wereld bereisd en heeft het allang afgeleerd om jaloers te zijn op bijvoorbeeld Nederlanders, want wij Nederlanders staan zowat bovenaan (plaats 4) bij onderzoeken naar gelukkig zijn. De Denen staan op 1 en de Belgen staan onder ons (5). Hoe kan dat? Ik dacht dat wij bekend staan als mopperaars en de Belgen als Bourgondiërs. Bormans: Nederlanders hebben het gevoel dat zij andere Nederlanders en instituties kunnen vertrouwen. Bij dat laatste kun je een vraagteken plaatsen, maar in andere landen schijnt het vertrouwen in de overheid soms helemaal niet te bestaan. Bormans: wij zijn sterk als volk en dus gelukkig. Overigens zijn de Belgen de gelukkigste werknemers, het is maar waar je naar kijkt in zo’n onderzoek.

Over mijn pensioen bij Elsevier heb ik mij nooit zorgen gemaakt, ik vertrouw er gewoon op dat het wel goed komt, omdat ik de mensen in het bestuur vertrouw, en dat is bewaarheid: we zitten 1 januari 2016 bij het PGB (en daar zat ik al).

De jongste BN-er van de De Mol dynastie, Johnny, maakt onder meer een programma waarin wensen worden vervuld van mensen met het syndroom van Down (‘SynDROOM’ op RTL4). Johnny de Mol riep bij het in ontvangst nemen van zijn Televizier Ring op tot meer verdraagzaamheid in de samenleving. ,,Aan liefde, respect en humor heeft het de laatste tijd nog wel eens ontbroken,” zei hij. Een storm van protest op Twitter, Facebook, radio en tv door mensen die zich aangesproken voelen. Men zegt bijvoorbeeld dat de mensen in het vluchtelingendorp Oranje gelijk hadden dat ze protesteerden tegen het feit dat staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Dijkhoff de besluitvorming van de gemeenteraad en burgemeester en wethouders overrulede. Dat stinkend rijke jochie moest maar eens een weekje gaan logeren in de Schilderswijk in Den Haag om het echte leven te ervaren. Feit is dat onderzoek onder de bewoners van diezelfde, zogenaamd asociale woonwijk, heeft duidelijk gemaakt dat de mensen daar juist heel solidair zijn en gemiddeld niet minder gelukkig dan de rest van Nederland. Een scheef oordeel is vaak een onnadenkende emotionele reactie. Als je doorvraagt maken de sores van mensen ze sterker en gelukkiger.

Wendy van Dijk zegt: Naarmate ik ouder word, merk ik steeds meer dat gelukkig zijn een keuze is.

Doe het Zelf Geluk

Bormans reikt ons in De Wereld Draait Door van 14 januari 2014 vijf handvatten aan om zelf ons geluk te zoeken. En te vinden. Geluk, Liefde en Hoop zijn volgens hem voor een groot deel ‘maakbaar’. Hier volgen de Doe het Zelf tips voor Geluk van Leo Bormans:

Meer en meer maakt niet gelukkig. Geld maakt niet gelukkig. De commercie doet ons geloven dat genieten geluk betekent. Bescheidenheid en tevredenheid met kleine dingen, zoals het fluiten van een vogel, brengen meer geluk dan zoveel mogelijk kopen en feesten.
Volg geen charlatans die beweren dat zij de weg naar geluk hebben gevonden.
Trek uw mond in een glimlach en houd dat 30 seconden vol. Probeer aan iets negatiefs te denken. Dat zal u niet lukken. Bij tachtig procent van de mensen zeggen de hersenen dat dat niet zou kloppen en beletten het. Dit bewijst dat geluk maakbaar is. Bormans: 50 procent van ons geluk is genetisch bepaald, 40 procent zit tussen onze oren.
Zoek de rust en de stilte op. Probeer maar nu: twee minuten stil zijn. alleen of met z’n allen. Stilte bij iemand bij wie je je veilig voelt kan gelukkig maken, stilte bij iemand die jou niet vertrouwt kan bedreigend zijn. De eerste minuut is even wennen, de tweede minuut ontstaat echt een gevoel van rust. En geluk.
Meer tips staan in Bormans’ boek ‘Geluk en Levenskwaliteit’. De Belg Van Rompuy, in 2014 president van Europa, gaf ‘The World Book of Happiness’ persoonlijk aan Obama, Merkel, Anan en nog 197 wereldleiders om ze te bewegen geluk op de politieke agenda te zetten. Hij gaat zelfs zover om aan geluk een economische waarde toe te kennen. In België wordt gewerkt met het Bruto Nationaal Gelukproduct.
Nog even over die treinramp van Harmelen (maandag 8 januari 1962 om 9.19 uur 93 doden en 52 gewonden). Ik was toen in militaire dienst en stond op het station innig afscheid te nemen van mijn ‘meissie’. Zoals dat gaat in die gevoelige fase, we konden elkaar niet loslaten. Ik moest met mijn militaire vervoersbewijs een bepaalde trein nemen, maar liet die vertrekken om, met bijbetaling, de volgende te nemen. De trein die ik zonder mij liet vertrekken was een van de tweede treinen die verongelukten. Dat veroorzaakt nog altijd een belangrijk stuk van mijn geluksgevoel. Heeft u inmiddels bedacht hoe gelukkig u eigenlijk bent?

 

Elseviers Nieuwsbrief december 2015

Nieuwe columnist

Als opvolger van Nic van Rossum introduceren wij op deze pagina als nieuwe columnist Peter Fiedeldij Dop. Inmiddels ook gepensioneerd en een VGEO-lid met brede schrijfervaring. Hij behandelt een scala aan alledaagse onderwerpen. De ene keer actueler dan de andere. Altijd ter lering en vermaak.

 

Luieren

Deze column gaat niet over niks doen, ik wil een ervaring met de hedendaagse zorg met u delen.

Vandaag de dag zijn er plastic luierbroeken met vocht absorberende vulling in soorten en maten. Als de dokter het over matig urineverlies heeft, dan is dat voor de patiënt al zwaar. Misschien medicijnen, misschien fysio. In elk geval behoorlijk hinderlijk. Op de fiets bijvoorbeeld. En op je werk. Als de dokter het serieus neemt dan noemt hij het incontinentie. De persoon met incontinentie is aangewezen op incontinentiemateriaal. Daar geeft de zorgverzekeraar een vergoeding voor. Op recept van de dokter.

Minister Edith Schippers liet (in 2012) uitzoeken met hoeveel luiers de gebruiker toe kan: drie stuks per dag. Omdat er gradaties zijn in de ernst van de incontinentie – zeg maar: hoeveel iemand plast – kwam er een staffel. Een gespecialiseerde verpleegkundige, in dienst van de leverancier – zeg maar luierboer – bepaalt telefonisch in welke categorie iemand met incontinentieklachten plast, eh past. De zwaarste categorie zijn bedlegerige patiënten. Daarvoor is de dagvergoeding 2,50 euro, de lichtste categorie krijgt 1,50 euro (dit zijn afgeronde getallen). Het verschil zit dus in het soort luier of luierbroek.

Iemand die volledig incontinent is – alles laat lopen – krijgt evengoed maar drie luiers per dag. Een praktijkgeval: een vrouw van rond de 70 jaar. Zij heeft doorgaans drie keer per dag ontlasting en plassen gaat dag en nacht door. Kan die toe met drie luierbroeken? Als zij om 8 uur ’s morgens is verschoond en ze poept om 10 uur, na het kopje koffie, moet ze dan met die vieze luier blijven zitten tot het middaguur? En als zij bijvoorbeeld om 2 uur weer een drol draait (en plet) moet het dan weer tot ’s avonds duren? Dat kan toch niet!?

‘Jawel hoor,’ vertelt de verzorgende van deze mevrouw, ‘als het even kan dan scheppen we de ontlasting er uit en gaat de luier weer aan.’ Je gelooft het niet, maar het gebeurt!

Wij zijn voor deze mevrouw een vergeefse strijd met de zorgverzekeraar aangegaan. Die houdt zich aan de wettelijk voorgeschreven vergoeding, maar na een paar dagen bellen met leveranciers vonden we een schat van een vrouw die zonder eigen bijdrage, dus voor de officiële vergoeding waar mevrouw recht op heeft, niet drie maar vijf luierbroeken per dag levert. Dat doen ze nu precies een jaar en dat verdient een warme douche (gegevens bij de redactie bekend).

Er zijn dagen dat ook die vijf verschoningen niet toereikend zijn. Hoe komt zij dan aan een paar extra luiers? De vergoeding voor de dame in kwestie is afgerond 30 cent per luier. Let wel: daar wordt nog aan verdiend. Als je als particulier bij dezelfde leverancier een pak met precies dezelfde luiers wilt bestellen blijken die opeens meer dan 1 euro te kosten. Ik vind dat schandalig.

 

Eenzaamheid verslaan

Ik ken het gevoel van eenzaamheid niet zo, daarom wilde ik er meer van weten. Wie weet overkomt het mij ook een keer. En hoe kom ik er dan uit?

‘Eenzaam maar niet alleen’ is een bekende uitspraak van prinses Wilhelmina. Het is ook de titel van een boek (1959) over haar. Zij doelde op haar geloof, waarop zij altijd kon terugvallen. Er zijn nog altijd mensen die kracht putten uit hun geloof. Welk geloof dan ook. Mooi meegenomen toch?

Los daarvan kun je zelf actie ondernemen. Als steunen op je geloof leidt tot een afwachtende houding, dan werkt dat ook niet, vrees ik.

Ik schrok wel van het statistische gegeven dat 40 procent van de mensen zich (wel eens) eenzaam voelt. Toch had ik het ergens wel verwacht. Je ziet het om je heen.

Zijn we in deze tijd van individualisme zo op onszelf gaan leven dat we overal alleen voor staan? Dat we onze vaardigheden verliezen om contact met anderen te onderhouden? Hebben we geen tijd? Of geen middelen?

Ik had een alleenstaande oom, oom Charles. Bij een van mijn onregelmatige bezoeken zei hij ‘uitstekend alleen te kunnen zijn’. Hij was beslist niet eenzaam. Is eenzaamheid een ongewilde keuze?

Mijn vrouw Joke is zeer beperkt mobiel. Terwijl ik vrolijk rond dartel voelt zij zich wel eens eenzaam. Dan heeft ze alles al een keer gedaan wat haar afleiding bezorgt: woordzoeker, borduren, E-reader, met een vriendin bellen. Door haar afhankelijkheid is zij vaak alleen en het gevoel dat daar bij past is eenzaam.

Een buurjongetje voelt zich eenzaam op voetballen, omdat hij buiten de groep wordt gehouden. Dus: hoewel voetbal bij uitstek een teamsport is, voelt deze jongen zich toch eenzaam.

De nieuwe zorg wordt financieel uitgeknepen, maar eenzaamheid is maatschappelijk zo’n belangrijk probleem dat er overal initiatieven zijn om aan die veertig procent wat te doen. Je kunt een cursus doen om sterker in je schoenen te staan. Je kunt je aansluiten bij een groep leeftijdgenoten die kletsen, knutselen, fietsen, reizen, lezen, bingo spelen enz. Maar doe je dat ook? Wie het niet doet krijgt te horen ‘eigen schuld dikke bult!’

En daar zit je dan: eenzaam tot in je botten.

Al pratende met mensen – op een bank in het park, in een wachthokje van de bus, aan tafel in een buurthuis – kwam ik er achter dat je goed onderscheid moet maken tussen de situatie waarin iemand verkeert en hoe hij daar mee omgaat. Sociaal isolement kan, maar hoeft geen eenzaamheid te veroorzaken. Buiten gesloten worden kan, maar hoeft geen eenzaamheid te veroorzaken. Handicaps kunnen, maar hoeven geen eenzaamheid te veroorzaken.

Een deskundige zegt: ‘Eenzaamheid ontstaat als je leefpatroon door een plotselinge gebeurtenis wordt doorbroken’. Voorbeelden: een nieuwe baan, nieuwe studie, verlies van de partner, krijgen van een baby. Je leven staat dan op zijn kop en je weet niet hoe het verder moet. Je op een dergelijke gebeurtenis voorbereiden is natuurlijk goed, maar toch kan het je overvallen als het eenmaal zover is. Zelfs leuke dingen kunnen moeilijk te verwerken zijn. Stel je worstelt jaar in jaar uit om een doel te bereiken, als het doel bereikt is ‘val je in een gat’. Om een gevoel van eenzaamheid in die situatie te verdrijven ga je jezelf opjutten om een nieuw doel te zoeken. In elk geval moet je proberen je leven een nieuwe invulling te geven. Wie zich nuttig maakt krijgt waardering en dat is een krachtig medicijn tegen eenzaamheid.

Je moet het zelf doen. Je moet zelf de verdieping in een aanvankelijk oppervlakkig gesprek zoeken. Je moet zelf gezelligheid creëren. En er voor open staan als anderen contact aanbieden, gezelligheid organiseren.

Na een dozijn gesprekken moet ik erkennen dat ik toch ook wel momenten van eenzaamheid heb gekend. Ik was ze vergeten. Maar des te beter ben ik er nu op voorbereid.

 

Zolder opruimen

Mijn achttiende verjaardag was bijzonder omdat mijn oma er bij was. Sterker nog, ik vierde mijn verjaardag bij haar. Mijn ouders waren op familiebezoek in Nieuw-Zeeland, dus ik had alleen mijn oma. Een reis van 400 km met trein en bus. Het was het gevoel van ‘thuis komen’.

Als jongetje had ik bij oma op zolder gespeeld. Opa was er toen ook nog. Hij vertelde mooie verhalen over verre reizen. Hij was machinist en voer de wereld over. Nu zou oma haar verhalen aan mij vertellen, want op mijn verjaardag, bij haar thuis, met ons tweetjes, vroeg zij mij of ik haar wilde helpen de zolder op te ruimen. Daar was al zo lang niemand geweest…

Mijn eerste jaar op de technische universiteit begon pas over twee weken, dus ik had alle tijd. ‘Natuurlijk, oma, dat doe ik. Als we bruine bonen met spekkies en sla eten.’ ‘Afgesproken, jongen.’ Ik zou een hele week blijven. Oma was geen achttien meer zoals ik, dus rustig aan. Elke dag een paar uur onder de stofdraden bivakkeren.

Ik zeg tegen oma dat ik vast een kijkje ga nemen. Aan het einde van de zoldertrap is een luik dat heel gemakkelijk open gaat omdat er een contragewicht aan vast zit. Links onder een balk zit een lichtschakelaar. Het licht werkt nog steeds. Het is een ouderwetse wolfram gloeilamp die Philips destijds bijna de das omdeed omdat hij het eeuwige leven heeft. Toen iedereen verlichting had was het klaar. Er kwamen geen vervangbestellingen. Omdat het geen sterke lamp is besluit ik het dakraam schoon te maken. Dat scheelt. De zon schijnt naar binnen en maakt het opdwarrelende stof zichtbaar. Ik zie een ragebol. Eerst maar eens de stofdraden te lijf gaan. Ik kan oma toch niet vies laten worden!

‘Ton?’ klinkt het van beneden. ‘Ja!’

‘Je zit al een halfuur boven en het is theetijd!’

‘Ik kom zo!’ roep ik terug. Ik haal de stofdraden uit mijn haar en gezicht, klop mijn kleren af en ga naar beneden, waar in de serre het theeblad klaar staat. De theepot onder de theemuts, de zilveren suikerpot met lepeltje en de koektrommel met het plaatje van een koets met twee paarden ervoor. ‘De thee moet nog even trekken, neem jij maar vast een koekje, je moet er nog van groeien,’ zegt ze, alsof ik met 1 meter 90 nog niet groot genoeg ben. Het is zo’n zinnetje van vroeger, toen ik nog bij haar op schoot zat. Het koekje kraakt tussen mijn tanden. ‘Zelf gebakken, oma?’ ‘Nee, jongen, van de bakker. Mijn handen zijn het kneden ontwend.’

Op de schoorsteenmantel staan twee foto’s van opa, een uit hun verlovingstijd en een van voor zijn dood. Oma ziet mij kijken: ‘Weet je dat jij heel erg sterk op je opa lijkt?’ Ik herken mijzelf in het jeugdige portret.

‘Je oogopslag, je neus, je mond, je kin, en zoals je net niet rechtuit naar voren kijkt. Typisch mijn jongen toen we elkaar leerden kennen.’

‘Hoe is het, oma, om hier alleen te wonen? Hoe lang is het geleden dat opa overleden is?’

‘Ach, jongen, een zeemansweduwe is het alleen zijn wel gewend. Mijn grootste bezit zijn mijn ogen – want ik kan LEZEN. En er ligt hier nog zoveel dat ik kan lezen.’ Inderdaad, naast haar op de canapé ligt een wilde stapel tijdschriften. Over geologie, klimaat, milieu, natuur, avontuur. Mijn oma haar interesses zijn daarmee helemaal duidelijk. Wist ik natuurlijk ook wel van vroeger. Ik herinner mij de wandelingen in het bos. Binnen tien meter had ik dan al een complete les over ecologie te pakken – hoe de bomen, de planten, dieren en insecten één groot wonder zijn. De fluweelzachte jasmijnthee smaakt precies zoals vroeger. ‘Is dit jasmijn uit de tuin?’ Oma glimlacht. ‘Ja, jongen, daar hecht ik aan. Vind je het lekker?’ ‘Zeker weten!’

Dan besluit ik de koe bij de horens te vatten: ‘Het is nogal stoffig boven, zal ik daar eerst eens met de stofzuiger aan de slag gaan?’ Een dankbare glimlach is het antwoord.

De volgende morgen doen de bruine bonen hun werk en daarna ga ik zachtjes kijken of oma al wakker is. Ze is in de tuin. Met een dikke jas aan en roze werkhandschoenen. ‘Wat bent u aan het doen, oma?’

‘De bladeren langs de heg vegen voor de egels. Als je het broodrooster en de waterkoker aanzet kunnen we ontbijten.’ Als de zolder klaar is zal ik een egelhuis voor haar maken. Daar heb ik een bouwtekening van gezien in een van oma’s tijdschriften. Tijdens het ontbijt informeert oma naar mijn studie. ‘Ik begin aan het tweede jaar basisvakken – wiskunde, meetkunde, natuurkunde, techniek. Ik weet nog niet precies wat ik wil gaan doen, ik hou alle opties open.’ ‘Volg je hart en je intuïtie, jongen. Je hebt zeker nog geen vriendinnetje?’ Ik moet lachen. ‘Bij techniek zitten niet veel meisjes.’ ‘Daarom is het verstandig om ook andere interesses te hebben, sport bijvoorbeeld.’ ‘Ja, maar dan zit je met allemaal jongens bij elkaar, oma, dat schiet niet op.’ Ik zie oma denken: “gemengd sporten”, “studentenvereniging”, maar ze zegt verder niks.

Die ochtend zuig ik de zak van de stofzuiger helemaal vol. ‘Ga eerst maar eens douchen,’ beveelt oma, ‘zo wil ik je niet aan tafel hebben.’ Het zweet staat op mijn voorhoofd en mijn ondergoed drijft. Gelukkig heb ik een verschoning meegenomen. De douche zit aan de slaapkamer vast en als ik net klaar ben komt oma binnen. Ik had de deur open laten staan. ‘Je bent het evenbeeld van je grootvader. Die brede schouders, die sterke handen… lekker kontje,’ grapt ze.

De derde dag zie ik mijn oma met werkschort en werkhandschoenen klaar om de trap op te gaan. ‘Heren gaan voor,’ zegt ze en laat mij gaan. Kan ik meteen het luik openen. ‘Struikelt u niet over die balk,’ waarschuw ik nog, maar de ramp is al geschied. De neus van haar schoen blijft haken en ze valt op haar gezicht, doet haar polsen zeer, schaaft haar knieën open. Ik help haar overeind en neem de schade op. Haar ogen drukken schrik en wanhoop uit. Toch blijft ze nuchter: ‘Ik ben geen hulp voor je, hè jongen.’

Dan zakt ze weg in mijn armen. ‘Oma!’ Ze reageert niet. Ik heb Eerst Hulp gedaan en probeer een diagnose te stellen. Heeft ze een hersenbloeding? Was het toch de klap met haar hoofd op de zoldervloer waardoor ze bewusteloos is? In elk geval moet ik snel handelen. Hoe krijg ik haar langs de trap naar beneden? Gelukkig is het een klein vrouwtje, 65 kilo schat ik. Ik pak haar onder haar oksels door bij haar onderarmen beet en trek haar slappe lichaam uit het trapgat. Vervolgens til ik haar op mijn rug. Met een hand houd ik haar polsen vast en met mijn andere hand houd ik mijzelf vast. Omdat we samen door het luik naar beneden moeten zakken ga ik plat op de trap liggen. Als we door het nauwe trapgat heen zijn kan ik tree voor tree naar beneden klimmen. Ik besluit haar niet op bed te leggen, maar meteen door te gaan naar beneden. Ik veeg de tijdschriften van de canapé en leg haar op twee kussens, zodat haar hoofd enigszins omhoog is. Dan bel ik 112. Naam, adres, toestand. SPOEDEISEND!

Wachten duurt altijd lang. Even begin ik te beven. Wat er gebeurd is begint nu tot mij door te dringen. MIJN OMA GAAT DOOD! Ik kom overeind en doe de voordeur van ’t slot. Ik maak de weg van de deur naar de canapé vrij van obstakels. De broeders moeten haar zo snel mogelijk kunnen verplaatsen. Dan sluit ik de keukendeur en de serredeur af, omdat ik met de ziekenwagen mee ga.

Misschien kan ik nog iets voor mijn oma doen. Ik maak een gastendoekje uit de wc nat met koud water en leg dat op haar gezicht. Wie weet komt ze bij. Maar nee. Ademt ze nog? Ze ademt licht. Hartslag? Haar pols voel ik niet. In haar hals? Gelukkig, ZE LEEFT!

Die avond op de intensive care mag ik niet telefoneren. In Nieuw-Zeeland breekt de dag aan. De verpleegster zegt ‘Als u bij haar wilt blijven kunt u een stretcher en een deken krijgen om te rusten. U kunt beneden in het restaurant wat gaan eten. Uw grootmoeder is nu stabiel en we houden haar in de gaten. Voorlopig houden we haar in een diepe slaap.’ Ik kijk nog eens goed hoe zij eruit ziet. Een foto, dat is het. ‘Ik mag toch wel een foto maken met mijn telefoon?’ Dat mag.

Als ik een lekkere biefstuk met gebakken aardappelen en sla naar binnen heb gewerkt ga ik een stukje buiten lopen. Mobiel bellen met Nieuw-Zeeland kost klauwen met geld. Mijn laptop ligt in oma’s huis. De zuster zei dat ze voorlopig niet wakker wordt, ik besluit een taxi te nemen en met mijn ouders te skypen. In het huis gekomen zet ik de foto die ik in het ziekenhuis gemaakt heb over op mijn computer en mail die naar mijn oom met een kort bericht wat er gebeurd is en het verzoek mij te contacten met het gratis programma Skype.

Ik krijg meteen een mail terug: ‘Dus moe is niet dood?’ Dat was dom, ik had niet alleen moeten schrijven wat er gebeurd was, maar ook haar toestand.

De skypeverbinding komt snel tot stand en we spreken af dat we dagelijks op een bepaalde tijd contact zullen hebben. Mijn ouders hebben nog drie weken geboekt en als het niet nodig is komen ze niet eerder naar huis. Ik zeg dat over tien dagen mijn studie begint en dat mijn moeder misschien voor haar moeder moet gaan zorgen.

De zolder maak ik verder schoon en ik zorg dat het huis netjes blijft. ’s Middags en ’s avonds zit ik een poosje bij mijn oma. Hoe zou ze zijn als ze weer wakker wordt? Verlamd? Niet praten? De behandelend arts en de hoofdverpleegkundige vraag ik wat hun verwachtingen zijn en wat er mogelijk is. Of ze in het ziekenhuis kan blijven tot mijn ouders weer thuis zijn. Het blijft lange tijd onzeker.

In de nacht van haar tiende dag in het ziekenhuis word ik gebeld dat mijn oma een tweede hersenbloeding heeft gehad en dat zij naar verwachting snel zal overlijden. Gelukkig is er geen verkeer, want door de tranen zie ik niks meer. Ik trap als een gek op de oude fiets van mijn opa. Twee dagen later zijn mijn ouders terug. De dag daarna meld ik mij bij de universiteit en nog een paar dagen later is het afscheid. In besloten kring. Ja, wij zijn haar enige familie.

‘Fijn dat jij er bij was, je hebt het goed gedaan,’ zegt mijn vader. Toch voel ik me schuldig aan het ongeluk. Als ze niet naar zolder was gegaan was het misschien niet gebeurd. ‘Jij kunt er niks aan doen, een hersenbloeding kan iedereen zomaar krijgen,’ zegt mijn moeder. Het huis staat te koop. Samen met mijn moeder gaan we de zolder opruimen. Het hele huis trouwens. Om de herinneringen te verzamelen en bewaren. Gelukkig hebben we nog de foto’s. Het winterverblijf voor de egels schiet er bij in.

Vrijwilliger Peter Fiedeldij Dop:

Een klein museum beginnen

Als je om je heen kijkt zie je kansen! In een dorpje aan de Zuiderzee werd in 2007 een verlaten school met onderwijzerswoning bedreigd door de slopershamer. ‘Dat mocht niet gebeuren,’ zeiden omwonenden. ‘Want wie sloopt er nu het schooltje van Dik Trom, waar Johan Kieviet in 1883 de eerste hoofdonderwijzer was?’

Een burgerinitiatief was geboren. Een gepensioneerde architect verklaarde het gebouwtje monumentwaardig. De wethouder cultureel erfgoed klopte aan bij de provincie. In archieven werd gezocht naar bouwtekeningen. De eigenaar werd gevraagd geduld te hebben. Er werd een stichting opgericht en in de statuten werd als doelstelling opgenomen dat het schooltje moest worden gered, gerestaureerd en duurzaam geëxploiteerd door er een kinderboekenmuseum in te vestigen. Ik werd de secretaris, een onbetaalde job van 20 uur in de week.

En toen liep het allemaal mis. De regionale krant volgde de soap op de voet. Nadat de provincie een commissie had laten adviseren en een klein miljoen onze kant leek uit te komen, kregen we het Icebank debacle. De provincie moest vele miljoenen aan subsidies schrappen. De tijd begon te dringen, want de eigenaar wilde gaan bouwen. Zou het schooltje nog gered worden of niet?

Het heeft 5 jaar geduurd tot de verkoopakte kon worden getekend. De provincie had een nieuwe subsidiepot bedacht en middels crowdfunding werd een gat in de begroting gedicht. Een bank en een fonds maakten het helemaal rond. In december 2012 werd het gerestaureerde gebouwtje opgeleverd. De gedeputeerde noemde het een ‘pareltje in de toeristische driehoek van Zeevang’. De vrijwilligers konden aan de slag gaan om het klaslokaal af te werken en in te richten zoals het oorspronkelijk geweest moet zijn. Maart 2013 werd het museum geopend door de kleindochter van Cornelis Johannes Kieviet. De authentieke inrichting met schoolbord, lessenaar en schoolbanken komt uit het Nationaal Onderwijsmuseum. De vitrinekast is ingericht als boekenkast voor de collectie kinderboeken (tot 1940). De originele gasverlichting werd omgebouwd in elektrisch. De kleuren van het schilderwerk werden vastgesteld aan de hand van teruggevonden deuren en een raamkozijn.

 

Vrijwilligers

Om een museum te starten is een bedrijfsmatige aanpak nodig. Ook met vrijwilligers. De bouwploeg telde al snel 6 man. De museumwachten kregen een korte opleiding gasten ontvangen en begeleiden. We leerden het verschil tussen voorlezen en vertellen, en de combinatie ervan. Ik deed onderzoek voor de openingstentoonstelling over de schrijvende onderwijzer C. Joh. Kieviet.

De mensen die iets bevechten en realiseren zijn niet hetzelfde soort mensen als degenen die uiteindelijk de tent draaiende houden. Dat heb ik gemerkt toen enkele leden van het oorspronkelijke bestuur opstapten. Zij hadden oprecht het idee dat zij hun werk – het redden van het schooltje van de sloophamer – hadden gedaan, en met succes. Voor hen in de plaats kwamen mensen die het leuk vinden om op een vaste dag in de week in het schooltje bezoekers te ontvangen. Dat is leuk omdat zij hun eigen verhalen meebrengen.

Driehonderd leerlingen volgden lessen lezen, schrijven, rekenen, aardrijkskunde en geschiedenis zoals Meester Kieviet ze destijds had beschreven toen hij kwam solliciteren. Daarna wandelen zij naar de nabij gelegen poldermolen en het diepste punt van Noord-Holland voor een les over inpoldering na een dijkdoorbraak. Groepen en families kunnen ook kiezen voor het Dik Trom pad door het veenweidegebied waar biologisch wordt geboerd. Deze samenwerking noemen we Land van Dik Trom. Sinds de opening ontving het schooltje 10.000 betalende bezoekers. Zonder vrijwilligers was dit niet mogelijk geweest en was het laatste eenklassige schooltje uit de negentiende eeuw verloren gegaan.

Geef een reactie