Mijn nieuwe boek “Duivelskind van Dreya, veendorp in 1000 n.Chr.

1 Het duivelskind (concept)

Uit de sloten kruipen witte wieven het land op, slierten mist waarin de mensen gedaanten menen te herkennen. Gedaanten die het slecht met je voor kunnen hebben. Geesten van overledenen die wraak komen nemen. Geen wijs mens waagt zich buiten als er witte wieven om de woning rondwaren.

Eén vrouw moet zich wel buiten wagen, de wijze vrouw die geroepen is omdat er een bevalling aanstaande is. Een wijze vrouw is een vrouw die zelf een aantal kinderen heeft gebaard en weet hoe daarbij te assisteren. Moen is zo’n vrouw, bedreven in behandelingen van kwetsuren, zweren, puisten en wat niet al.

De vrouw in barensnood heet Wiele. Ze heeft een verschrikkelijk opgezette buik en moet bevallen van een tweeling, zo wordt verondersteld. De hele nacht heeft zij liggen baden in het zweet van de inspanning. Weeën hebben haar krachten doen slinken en het persen is begonnen. Moen haast zich naar de boerderij van Wiele, een bundel schone doeken onder haar arm geklemd. Het geloof in haar opdracht geeft haar het vertrouwen dat haar geen onheil zal treffen. Waakte niet de godin Nehalennia over met name zwangeren? Met een zucht van verlichting trekt zij de deur open en sluit die haastig achter zich.

Het hele gezin zit om de moeder geschaard op dit gezegende uur. Moen spreekt geruststellende woorden en roept de hulp in van Nehalennia: “Mem, bescherm deze frou en de telchan die zij onder haar hart draagt”. En samen: “Wij aanbidden U, wij aanbidden U, wij aanbidden U”.

Dan vraagt ze om een kom met water. Ze dept het klamme voorhoofd en wast de bezwete schouders en armen van de kraamvrouw. Die slaakt een kreet en werpt het hoofd achterover als een hevige pijn door haar onderlichaam trekt. De wijze vrouw staat tussen de benen. Ze trekt de knieën omhoog en laat die ondersteunen door aan een kant de vader en aan de andere zijde het oudste kind, Wieleke, een meisje van zes jaar dat met grote ogen toekijkt als een natte bol met donker haar tevoorschijn komt. De wijze vrouw maant de barende tot rust en kalmte, en als de volgende perswee komt spoort zij Wiele juist aan vol te houden. Het is een meisje, met bruine ogen. Moen houdt het kind aan de enkels omhoog en plenst er een handje water tegenaan. Iedereen haalt opgelucht adem als het kind wat slijm uitproest, diep adem haalt en geluid maakt. Nooit klinkt het huilen van een baby mooier dan die eerste keer.

De vader, die dit drie keer eerder meemaakte – alleen het eerste kind is in leven gebleven – kijkt opgelucht maar ook onzeker. Moen zegt hem de navelstreng op twee plaatsen af te binden en ertussen door te snijden. De wijze vrouw zegt tot het meisje van zes: “Deze keer is het goed gegaan, zie je wel”. Het kind was immers getuige van een eerdere miskraam. Van de baby die direct na haar werd geboren kan ze geen herinnering hebben, ze was toen nog te klein.

Wiele ligt bij te komen en vraagt een slok water. Haar echtgenoot reikt haar een kroes aan en volgt het voorbeeld van Moen door een natte doek op haar voorhoofd te leggen. Wiele wast haar gezicht ermee. Dan voelt zij de weeën weer opkomen. Nog vlotter dan het meisje volgt een jongetje. De vader glundert, hij kan de toekomstige hulp van een zoon goed gebruiken. Het kind heeft onder het bloed duidelijk blond haar en zijn ogen zijn blauw. Net als die van zijn pa.

Het gezin zit gelukkig bijeen. De kraamvrouw heeft haar twee pasgeborenen op haar borst liggen. Moen heeft speciaal het jongetje gewassen omdat het onder het bloed zat. De rust is weergekeerd. Er wordt wat te eten en te drinken gepakt. Moen weet dat de nageboorte nog moet komen en blijft daar op wachten. Ook weet zij dat, als de nageboorte problemen geeft, de kraamvrouw een ernstige nabloeding kan krijgen waaraan zij kan overlijden. Voor de zekerheid laat zij de vader Ymma het kruidenvrouwtje halen. Die wist dat Wiele op het laatst liep en een tweeling verwachtte. Zij maakte daarom alvast van een emmer vol vers geplukte Pietercelie een drankje klaar dat de nageboorte bevordert.

Alles verloopt goed volgens Moen. De eerste nageboorte wordt opgevangen en aan de hond gegeven. De tweede gaat naar de katten. Die zitten er grommend omheen, totdat er een zijn tanden in zet en begint te trekken, dan hangen meteen de andere er ook aan en wordt het een soort touwtrekken.

De wijze vrouw zegt dat zij zodadelijk naar huis gaat om haar eigen kroost te eten te geven en dat zij daarna komt kijken of alles goed is. De zon staat aan de hemel en witte wieven zijn er niet meer te zien. De gelukkige vader knikt. De aanwezigheid van het kruidenvrouwtje geeft hem het zekere gevoel er niet alleen voor te staan. Moen feliciteert vader, moeder en dochtertje met de geboorte van twee gezonde kinderen. Ymma vindt het bijzonder dat het meisje donkere ogen heeft en het jongetje lichte. Moeder heeft er wel een verklaring voor: haar moeder had ook bruine ogen. De vader is blond.

Dan loopt het opeens onverwachts anders. Tot ieders schrik krijgt Wiele opnieuw hevige krampen in haar onderbuik en voelt zij een stekende pijn in haar rug. Er zal toch niet nog een baby in haar buik zitten?! Even later houdt het kruidenvrouwtje een meisje in haar handen. De vader komt meteen in beweging om de navelstreng af te binden en door te snijden. Dan springt Ymma vol afschuw overeind en roept: “Een duivelskind! Een duivelskind!” En als uitleg geeft zij dat het meisje dat zij vasthoudt een blauw en een bruin oog heeft. De vrouw rent met het kind naar buiten, richting sloot. Vader en dochter rennen haar in paniek achterna. Het kruidenvrouwtje staat aan de slootkant. Zij slaat meerdere malen een kruis en roept: “Exorcismo, Exorcismo!” Ze doet dat zonder te zeggen wat ze wil uitdrijven, maar ze bedoelt natuurlijk de duivel die in het kind schuilt. Ze wil het gezin, en het hele dorp, beschermen tegen het kwaad. Tegen de vader zegt zij dat het kind door de duivel bezeten is en verdronken moet worden. De vader aarzelt in tweestrijd. Moet hij zijn derde kind van de drieling redden? Een derde kind komt tekort bij het voeden, hij zou zo gauw geen vrouw met een baby in de buurt weten die als min kon dienen. Het kruidenvrouwtje bezit veel kennis, niet alleen van de genezende krachten van kruiden, maar ook van het mystieke onbekende, de goden en godinnen die ons kunnen straffen of belonen voor onze daden. Bovendien is zij ook nog christen.

Als hij haar actie al wilde beletten dan is het nu te laat, want de vrouw werpt de baby in het water. “Als het kind blijft drijven is het een heks”, beweert zij met stelligheid. “En als het verdrinkt, dan was het geen heks maar is het in elk geval gered, want dan gaat het naar de wolken, waar de Enige God woont”. Het laatste zegt zij speciaal als verklaring voor het meisje dat angstig de hand van haar vader vastklemt. De baby drijft bewegingloos onderwater aan de oppervlakte. Het meisje roept: “Heit, myn suster!

Wat de vader betreft is de heksenproef onbeslist en spraken de goden via zijn dochtertje het verlossende woord. Hij stapt onbevreesd in de sloot, vist de baby op uit het water, houdt haar ondersteboven, maar er loopt niet eens water uit haar mond. Hij stopt haar onder zijn buis om het droog en warm te houden.

“Vergeet niet dat ik je gewaarschuwd heb voor de duivel in dat bern”, gilt de vrouw hem nog na.

Vader neemt Wieleke mee aan de hand en samen reppen zij zich huiswaarts om het vervloekte kind bij haar moeder te brengen. Wieleke is erg geschrokken, stotterend en huilend doet ze haar verhaal bij haar moeder. Vader neemt haar op schoot en kust haar meermalen terwijl hij sussende woordjes fluistert: “Het komt goed, famke, het komt goed. Jij hebt je suster gered, jij hebt je suster gered, dat heb je goed gedaan, wij zijn trots op jou.”

Wieleke kruipt naar haar moeder toe en geeft haar geredde zusje een kusje.

Omdat de moeder voldoende dille eet, en haar derde van de drieling even liefdevol koestert, heeft zij spoedig voldoende melk. Geen van hen komt tekort. De hulp van een min is niet nodig en ook niet beschikbaar in het kleine dorpje.

Als de drieling begint rond te kruipen wordt steeds duidelijker dat de tweeling het derde kind verstoot. Voor moeder Wiele is dit lastig. Als zij de tweeling de borst heeft gegeven wil ze verder met haar werk, maar dan heeft ze er nog een die haar portie wil binnenhalen. Heeft ze de tweeling verschoond dan is er altijd weer die derde die ligt te janken. Wiele had zich op de geboorte van een tweeling voorbereid, niet op een drieling. Wanneer de jongste zich tussen de tweeling werkt en haar deel van het speelgoed opeist, haalt Wiele haar weg, omdat dat de makkelijkste oplossing is. Twee kleintjes zijn al knap lastig om bij het vuur weg te houden, drie is extra zwaar. Het is niet zo gek als een overbelaste moeder dan extreme oplossingen kiest. Die keer dat nummertje drie boos blijft huilen neemt moeder haar op en zet haar ‘voor straf’ in een bedstee en sluit de luiken, zodat het kind in het donker zit. Dat dit geen oplossing biedt blijkt dra. Nummertje drie gaat als reactie de tweeling bijten. Zelfs haar moeder heeft ze een keer keihard in een vinger gebeten, en dat heeft ze geweten: in de bedstee, zonder eten. Toen Vader hoorde dat zij de tweeling beet zei hij tegen Moeder: “Laat de tweeling haar maar terugbijten, dan leert ze het wel af”. En dat was zo, maar het loste voor het duivelskind niks op. Het gezin van Hobart krijgt heel wat met haar te stellen.